Samenwonen is al lang niet meer voorbehouden aan gehuwde koppels. Steeds meer mensen kiezen ervoor om hun relatie op een andere manier vorm te geven: via een wettelijke of een feitelijke samenwoning. Toch zijn die drie vormen: het huwelijk, de wettelijke samenwoning en de feitelijke samenwoning, juridisch erg verschillend. Ze hebben invloed op je eigendom, je rechten en plichten, je belastingen en zelfs op wat er gebeurt bij het overlijden van een partner.
Fien De Sutter
Legal Consultant
Werkingsjaar 2025-2026
Dat onderscheid tussen de drie vormen van samenleven is al meermaals voer geweest voor discussie. Sommigen vragen zich af of het nog wel rechtvaardig is dat gehuwden meer rechten en bescherming genieten dan wettelijk samenwonenden. Ook het Grondwettelijk Hof kreeg die vraag al verschillende keren voorgelegd. Volgens het Hof is het verschil meestal wél verantwoord, omdat gehuwden en wettelijk samenwonenden zich in een andere juridische situatie bevinden. Wie trouwt, gaat immers uit vrije keuze verdergaande verplichtingen aan, zoals trouw, hulp en bijstand, terwijl de wettelijke samenwoning bewust lichter is. Toch heeft het Hof in concrete gevallen geoordeeld dat bepaalde verschillen té groot zijn en daardoor discriminerend werken. Met het arrest van 20 juni 2024 besliste het Grondwettelijk Hof bijvoorbeeld dat ook ex-wettelijke samenwoners die samen eigenaar zijn van de gezinswoning, kunnen vragen om die woning bij voorrang toegewezen te krijgen. Tot dan gold dit recht enkel voor gehuwden, wat volgens het Hof een ongerechtvaardigd onderscheid was.
Hoewel er de laatste tijd dus enkele arresten zijn die een verschil in behandeling tussen gehuwden en wettelijk samenwonenden als discriminerend beschouwen, blijft de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof in grote lijnen nog steeds van oordeel dat zulke verschillen doorgaans verantwoord zijn. Belangrijk om te weten is dat de wetgever, ook al vertonen huwelijk en wettelijke samenwoning gelijkenissen, niet verplicht is om beide statuten volledig gelijk te behandelen. De wet vertrekt immers van het idee dat partners zelf kunnen kiezen hoeveel juridische bescherming ze wensen: het huwelijk voor wie meer zekerheid wil, de wettelijke samenwoning voor wie meer vrijheid verkiest.
Juridisch status en totstandkoming
Het huwelijk is de meest verregaande en formele samenlevingsvorm. Het ontstaat na een officiële huwelijksvoltrekking voor de ambtenaar van de burgerlijke stand en schept zowel persoonlijke verplichtingen als vermogensrechtelijke gevolgen tussen de echtgenoten.
De wettelijke samenwoning komt tot stand doordat beide partners een verklaring afleggen bij de gemeente, maar ze ontstaat pas op het moment dat die verklaring wordt ingeschreven in het bevolkingsregister. Vanaf dat tijdstip genieten de partners een zekere juridische bescherming, al blijven de gevolgen beperkter dan bij een huwelijk.
De feitelijke samenwoning is de meest vrije vorm: er is geen enkele registratie of wettelijke regeling. Twee personen kunnen gewoon beslissen om samen te wonen, zonder dat daar rechten of plichten tegenover elkaar uit voortvloeien.
Persoonlijke verplichtingen
Wie trouwt, verbindt zich niet alleen juridisch maar ook persoonlijk. Echtgenoten zijn verplicht om samen te wonen, elkaar trouw te blijven en hulp en bijstand te verlenen. Ze delen in elkaars levensstandaard en moeten elkaar ondersteunen in het dagelijks leven.
Wettelijke samenwonenden kennen die verplichtingen niet. Er bestaat geen wettelijke samenwoningsplicht, geen hulpplicht en geen plicht tot bijstand of genegenheid. Opmerkelijk genoeg verplicht de wet hen zelfs niet om op hetzelfde adres te wonen: het volstaat dat ze een gemeenschappelijke woonplaats opgeven. Ook personen tussen wie een huwelijksbeletsel bestaat, zoals dichte familieleden, kunnen wettelijk samenwonen. De wet vereist dus geen affectieve of seksuele relatie. Die vrijheid heeft een keerzijde: er is geen wettelijke basis om partneralimentatie te vorderen, noch tijdens, noch na de wettelijke samenwoning. Dat kan leiden tot onbillijke situaties, bijvoorbeeld wanneer één partner financieel afhankelijk is. Partners kunnen dit wel zelf opvangen door in een overeenkomst een hulpplicht of bijdrageplicht vast te leggen.
Bij feitelijke samenwoning is er helemaal geen wettelijke regeling. Er bestaan geen persoonlijke rechten of verplichtingen tussen de partners. Alles hangt af van wat ze zelf onderling overeenkomen.
Bescherming van de gezinswoning en het huisraad
Een belangrijk verschil tussen de drie samenlevingsvormen ligt in de bescherming van de gezinswoning. Bij gehuwden geldt een sterke bescherming: geen van beide echtgenoten kan het huis dat als gezinswoning dient, of de huisraad die zich daarin bevindt, verkopen, schenken of met een hypotheek bezwaren zonder de instemming van de andere. Daarnaast is de echtgenoot automatisch medehuurder van de gezinswoning.
Die bescherming is grotendeels overgenomen voor de wettelijke samenwoning. Ook daar kan één partner niet alleen beschikken over de gezinswoning of de huisraad, op voorwaarde dat die woning daadwerkelijk de gemeenschappelijke woonplaats is. Wanneer de woning gehuurd wordt, wordt de andere partner, net als bij gehuwden, automatisch medehuurder.
Feitelijke samenwoners genieten die wettelijke bescherming niet. Wanneer slechts één partner eigenaar is van de woning, kan die het huis vrij verkopen of bezwaren zonder de instemming van de ander. Om dat te vermijden, raden notarissen vaak aan om een testament of een beding van aanwas te voorzien. Zo kan de langstlevende partner de eigendom van de woning verwerven bij overlijden van de ander. Dat biedt meer zekerheid, al kan het fiscaal minder gunstig zijn. Bij gehuwden kan men een vergelijkbare bescherming opnemen in een huwelijkscontract, bijvoorbeeld via een keuzebeding dat de langstlevende echtgenoot de woning in volle eigendom kan erven.
Bijdrageplicht in de lasten van het samenleven
Zowel gehuwden als wettelijk samenwonenden zijn verplicht om bij te dragen in de lasten van het samenleven. Die lasten omvatten de kosten van het dagelijkse leven, zoals huisvesting, nutsvoorzieningen, voeding, medische zorg en kleding. De bijdrage gebeurt naar evenredigheid van ieders middelen, waarbij ook niet-financiële bijdragen zoals het opvoeden van kinderen of helpen in het bedrijf van de partner meetellen. De rechtspraak hanteert voor beide statuten dezelfde inhoudelijke invulling van dit begrip. Wie zijn bijdrageplicht niet nakomt, kan voor de familierechtbank worden gedaagd.
Bij feitelijke samenwoners bestaat die bescherming niet: als ze zelf geen afspraken maken, geldt alleen wat ze onder elkaar hebben afgesproken.
Hoofdelijke aansprakelijkheid voor huishoudelijke en opvoedingsschulden
Binnen het huwelijk en de wettelijke samenwoning zijn de partners hoofdelijk aansprakelijk voor schulden die één van hen aangaat in het belang van het gezin of de opvoeding van de kinderen. Met andere woorden: de schuldeiser kan het volledige bedrag verhalen op elk van beide partners. Alleen wanneer een schuld buitensporig is in verhouding tot hun middelen, vervalt die hoofdelijke aansprakelijkheid.
Feitelijke samenwoners zijn elk uitsluitend aansprakelijk voor hun eigen schulden. De wet voorziet geen enkele gezamenlijke verantwoordelijkheid.
Vermogensrechtelijke gevolgen
Bij het huwelijk geldt in beginsel het wettelijk stelsel van gemeenschap van aanwinsten, tenzij de partners via een huwelijkscontract een ander stelsel kiezen, zoals de zuivere scheiding van goederen of algehele gemeenschap.
Bij de wettelijke samenwoning geldt automatisch een scheiding van goederen. Alles wat je bezit vóór of tijdens de samenwoning blijft in principe je eigen eigendom. Enkel wanneer niet kan worden aangetoond aan wie een goed toebehoort, gaat de wet ervan uit dat het in onverdeeldheid toebehoort aan beide partners, elk voor de helft. Dat kan in de praktijk tot discussies leiden, bijvoorbeeld wanneer één partner eigenaar is van de woning maar de andere de renovatiekosten betaalt. In het huwelijk zorgt de wettelijke vergoedingsregeling voor een evenwicht, maar bij de wettelijke samenwoning ontbreekt zo’n regeling[1]. Duidelijke afspraken op papier zijn dus essentieel. Een notariële wettelijke samenlevingsovereenkomst kan veel duidelijkheid scheppen. De tussenkomst van een notaris is daarbij een geldigheidsvereiste: zonder notariële akte is de overeenkomst niet rechtsgeldig. In deze akte kunnen partners onder meer afspraken vastleggen over vergoedingen, onderhoudsgeld en de verdeling van bepaalde kosten.
Voor feitelijke samenwoners geldt geen enkel wettelijk stelsel: hun goederen blijven strikt gescheiden, tenzij ze samen iets aankopen. In dat geval zijn ze, net zoals wettelijk samenwonenden, elk voor een deel eigenaar in onverdeeldheid. Ook feitelijke samenwoners kunnen een samenlevingscontract afsluiten om zichzelf te beschermen, al is dat enkel afdwingbaar als het notarieel wordt opgesteld.
Erfrechtelijke gevolgen
Op het vlak van erfrecht zijn de verschillen tussen de drie samenlevingsvormen het grootst. Gehuwden erven automatisch van elkaar. Wanneer er kinderen zijn, krijgt de langstlevende echtgenoot het vruchtgebruik op de volledige nalatenschap, terwijl de kinderen de blote eigendom erven. Zo kan de overlevende partner de gezinswoning blijven bewonen of de inkomsten uit het gemeenschappelijk vermogen behouden, terwijl de kinderen op hun beurt het goed kunnen vervreemden, met eerbiediging van het vruchtgebruik. Zijn er geen kinderen, dan erft de langstlevende echtgenoot in principe alles in volle eigendom, tenzij er nog ouders van de overledene in leven zijn, die in bepaalde gevallen een beperkt erfdeel behouden. Daarnaast heeft de langstlevende echtgenoot een recht op preferentiële toewijzing van de gezinswoning en de huisraad, wat betekent dat hij of zij in de gezinswoning kan blijven wonen na overlijden van de echtgenoot. Daarbovenop geldt in Vlaanderen een gunstig tarief in de erfbelasting.
De wettelijk samenwonende partner erft enkel het vruchtgebruik van de gezinswoning en de huisraad. Woonden de partners in een huurwoning, dan heeft de langstlevende, net als bij gehuwden, het recht om de huurovereenkomst voort te zetten. In Vlaanderen betaalt de langstlevende wettelijk samenwonende partner, net zoals gehuwden, geen erfbelasting op de gezinswoning, op voorwaarde dat ze minstens één jaar hebben samengewoond. Voor een ruimere bescherming is een testament nodig.
Feitelijke samenwoners hebben geen wettelijk erfrecht en worden juridisch beschouwd als vreemden voor elkaar. Alleen via een testament kunnen de partners elkaar iets nalaten. Wel bestaat er in Vlaanderen een fiscale vrijstelling voor het erven van de gezinswoning als de partners minstens drie jaar samengewoond hebben, maar dat verandert niets aan het ontbreken van een wettelijk erfrecht.
Fiscale en sociale gevolgen
Voor de personenbelasting worden gehuwden en wettelijk samenwonenden gelijk behandeld.[2] Ze krijgen een gezamenlijke aanslag en kunnen genieten van het huwelijksquotiënt, waardoor een deel van het inkomen van de meest verdienende partner wordt toegerekend aan de minstverdienende. Dit kan de totale belastingdruk verlagen. Feitelijke samenwoners daarentegen worden apart belast, wat financieel minder gunstig kan zijn.
Ook op het vlak van sociale zekerheid is er een belangrijk verschil: enkel gehuwden kunnen aanspraak maken op een overlevingspensioen. Wettelijk en feitelijk samenwonenden hebben dat recht niet.
Beëindiging van de samenlevingsvormen
Een huwelijk kan enkel beëindigd worden via een echtscheidingsprocedure, die vaak tijd en kosten met zich meebrengt. Daarbij moet niet alleen het gemeenschappelijk vermogen worden verdeeld, maar kan de rechter ook een onderhoudsuitkering toekennen aan de ex-partner die na de scheiding onvoldoende middelen heeft. Daarnaast blijven er uiteraard verplichtingen bestaan tegenover de kinderen.
Voor de beëindiging van een wettelijke samenwoning volstaat een eenvoudige verklaring bij de gemeente. Tussen de ex-partners bestaat er daarna geen onderhoudsplicht meer, behalve de verplichting om bij te dragen in de kosten van de kinderen.
De feitelijke samenwoning is het meest flexibel: ze kan op elk moment worden stopgezet zonder enige formaliteit. Die vrijheid gaat echter gepaard met onzekerheid, vooral wanneer de partners samen goederen bezitten of één van beiden financieel afhankelijk is.
Belangrijk om te weten is dat het einde van een wettelijke of feitelijke samenwoning niet automatisch leidt tot de verdeling van de gemeenschappelijke goederen. De partners moeten dit zelf regelen, bijvoorbeeld via de notaris of de rechtbank. Bij een huwelijk is dat anders: daar wordt de verdeling van de gemeenschappelijke goederen automatisch in gang gezet bij de echtscheiding.
Slotbeschouwing
Hoewel de wettelijke samenwoning een beperkte bescherming biedt en op sommige punten aanleunt bij het huwelijk, blijven de verschillen aanzienlijk. Het huwelijk blijft de meest omvattende en beschermde samenlevingsvorm. De wettelijke samenwoning is een middenweg die enige zekerheid biedt, maar nog steeds leemtes vertoont. Feitelijke samenwoning biedt de grootste vrijheid, maar ook de minste bescherming.
Wie niet wil trouwen maar toch zekerheid zoekt, doet er goed aan om duidelijke afspraken te maken via een notariële samenlevingsovereenkomst of een testament. De huidige wettelijke regeling voor samenwonenden volstaat immers niet altijd en laat koppels vaak terugvallen op het gemeen recht, met alle onzekerheden van dien.
Bronnen:
DE SCHRIJVER, L., Evaluatie en toekomstperspectieven van de wettelijke samenwoning – 01/02/2021
Notaris.be
[1] Een wettelijke vergoedingsregeling voor gehuwden houdt in dat een echtgenoot recht heeft op een vergoeding wanneer eigen en gemeenschappelijk vermogen met elkaar vermengd zijn. Investeert een echtgenoot eigen geld in het gemeenschappelijk vermogen of in het vermogen van de andere partner, dan kan hij of zij dat bedrag terugvorderen. De manier waarop deze vergoedingen worden berekend en toegepast, is vastgelegd in het Burgerlijk Wetboek.
[2] De personenbelasting is een inkomstenbelasting die elke rijksinwoner moet betalen op zijn totaal jaarinkomen.
