‘ADVISORY OPINION’ BETREFFENDE DE PLICHTEN VAN STATEN IN HET KADER VAN DEKLIMAATVERANDERING

Ieder is zich bewust of zou zich althans bewust moeten zijn van de klimaatverandering en haar desastreuze gevolgen. Deze problematiek treft wereldwijd talloze mensen, dieren en ecosystemen. Paradoxaal genoeg treffen deze nefaste gevolgen meestal juist die mensen, dieren en ecosystemen die aanzienlijk minder uitstoten dan de rest van de wereld. Zij dragen als het ware de schadelijke gevolgen van andermans vervuiling en uitstoot. Wie draagt hier op het internationale toneel de verantwoordelijkheid voor? Kunnen de benadeelden vergoed worden voor de schade die zij lijden, en
wie dienen zij aan te spreken?

Adrien Vandersmissen

Director Legal

Werkingsjaar 2025-2026

Ter inleiding
Op 23 juli 2025 sprak het Internationaal Gerechtshof zich uit via een ‘advisory opinion’ omtrent de ‘obligations of states in respect of climate change’. Daarmee mengde het zich in het bovenstaande debat door twee prominente vragen, gesteld door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, te beantwoorden.

Vraag (a) luidde als volgt: ‘What are the obligations of States under international law to ensure the protection of the climate system and other parts of the environment from anthropogenic emissions of greenhouse gases for States and for present and future generations?’i

Vraag (b) luidde als volgt: ‘What are the legal consequences under these obligations for States where they, by their acts and omissions, have caused significant harm to the climate system and other parts of the environment, with respect to: (i) States, including, in particular, small island developing States, which due to their geographical circumstances and level of development, are injured or specially affected by or are particularly vulnerable to the adverse effects of climate change; (ii) Peoples and individuals of the present and future generations affected by the adverse effects of climate change?’ii

Het Hof diende dus enerzijds te duiden welke verplichtingen het internationaal recht in zijn geheel oplegt aan staten ter bescherming van het klimaat; anderzijds diende het Hof te duiden welke de juridische gevolgen zijn, op grond van voorgaande verplichtingen, wanneer staten deze schenden en zodoende aanzienlijke klimaatschade veroorzaken. Volgende passages zullen meer duiding geven omtrent bovenstaande ‘advisory opinion’ met de nadruk op een onderdeel van vraag (b), met name de kwestie der staatsaansprakelijkheid binnen de context van de klimaatverandering.

Wat is een ‘advisory opinion’ en welke draagwijdte heeft het?

Centraal binnen deze kwestie staat het Internationaal Gerechtshof (IGH). Het IGH is een permanent Hof dat ageert als het voornaamste gerechtelijke orgaan van de Verenigde Naties (VN).iii Het fungeert op basis van het VN-Handvest en diens eigen Statuut.

Naast diens prominente rol in het beslechten van juridische geschillen tussen staten overeenkomstig het internationaal recht, heeft het IGH eveneens een adviserende rol. Op verzoek van elk daartoe gemachtigd VN-orgaan (i.e. meestal de Algemene Vergadering of de Veiligheidsraad) kan het Hof inzake een internationaalrechtelijke rechtsvraag advies verlenen, i.e. de zogenaamde ‘advisory opinion’.iv Zo’n advies is logischerwijze slechts bekleed met een adviserend karakter; het is met andere woorden niet bindend ten aanzien van staten of internationale organisaties.v Desalniettemin valt niet te onderschatten welk juridisch gezag deze adviezen genieten binnen de internationale rechtssfeer.

Intersectie tussen staatsaansprakelijkheid en klimaatverandering
De ‘advisory opinion’ kadert binnen de sfeer van de klimaatverandering en raakt daarbij aan het leerstuk van de staatsaansprakelijkheid.
Een notie die van belang is binnen het internationaal recht in de context van de klimaatverandering, betreft het internationaal gewoonterechtelijke principe tot voorkoming van ernstige milieuschade (‘no-harm’ principe). De plicht tot voorkoming van grensoverschrijdende milieuschade werd voor het eerst erkend als een internationaalrechtelijk principe in de Trail Smelter zaak.vi Later bevestigde het IGH dat “the general obligation of States to ensure that activities within their jurisdiction and control respect the environment of other States or of areas beyond national control is now part of the corpus of international law relating to the environment”vii, en dat het ‘no-harm’ principe staten verplicht “to use all means at [their] disposal in order to avoid activities which take place in [their] territory, or in any area under [their] jurisdiction, causing significant damage to the environment of another State”.viii

Het voorgaande principe geldt eveneens in het kader van de klimaatverandering en verplicht derhalve staten om schade aan het klimaat te voorkomen en handelingen die dergelijke schade kunnen veroorzaken te minderen, te begrenzen en te controleren.ix

Vervolgens betreft het een principe van internationaal recht dat een staat die een regel van het internationaal recht schendt, aansprakelijk kan worden gesteld en gehouden is tot herstel van de veroorzaakte schade. Het leerstuk der staatsaansprakelijkheid bevat dus de regels die bepalen wanneer staten aansprakelijkheid oplopen en wat de juridische gevolgen hiervan zijn. De voorgaande regels werden ontwikkeld op basis van rechtspraak van verscheidene arbitrale gerechten en internationale hoven. Binnen dit kader valt te verwijzen naar de ‘Articles on the Responsibility of States for Internationally Wrongful Acts’ (ARSIWA), opgesteld door de ‘International Law Commission’ (ILC), die deze internationaal gewoonterechtelijke regels heeft trachten te codificeren.x

Hoewel de ARSIWA geen bindend karakter omhelst, genieten de regels wel een groot juridisch aanzien. Zo verklaart het IGH in zijn advies dat bij toepassing van het internationaal gewoonterecht betreffende de staatsaansprakelijkheid, het teruggrijpt naar de ARSIWA gezien deze in vele opzichten een reflectie betreffen van het internationaal gewoonterecht.xi

Summier gesteld, stipuleert de ARSIWA dat een staat internationale aansprakelijkheid oploopt wanneer hij een internationale onrechtmatige gedraging stelt. xii Voorgaande gedraging bestaat uit een handeling of omissie die toerekenbaar is aan een staat volgens het internationaal recht en een schending uitmaakt van een internationaalrechtelijke plicht rustende op die staat. xiii Volgend op het stellen van zo’n onrechtmatige gedraging en het oplopen van aansprakelijkheid, dient de respectievelijke staat enerzijds de gedraging stop te zetten en anderzijds in te staan voor het volledige herstel van de schade die hij door voorgaande gedraging heeft veroorzaakt.xiv

Toepassing van de regelen inzake de staatsaansprakelijkheid binnen de context van de klimaatverandering zou stellen dat: indien een staat een op hem rustende internationaalrechtelijke plicht voortvloeiende uit de klimaatverdragen zou schenden en de schending aan hem toerekenbaar is, voorgaande staat aansprakelijk kan worden gesteld en gehouden is tot herstel van de daaruit voortvloeiende klimaatschade die andere staten ervaren. Echter, stuit elke praktische concretisering van voorgaande theoretische toepassing op een aantal problemen.

Het zit namelijk zo dat binnen de sfeer van de klimaatverandering er enerzijds een veelheid aan staten is die in ongelijke mate uitstoten over lange tijdspannes, en derhalve sommige staten meer verantwoordelijkheid (zouden moeten) dragen dan andere staten; anderzijds is er een veelheid aan benadeelden, bestaande uit staten, volkeren, ecosystemen, enzovoort, die elk het recht op herstel verdienen. xv Het is met andere woorden niet vanzelfsprekend om een bepaalde staat aan te spreken op een vermeende schending van internationale plichten inzake het klimaat en al zeker niet om zo’n schending in rechtstreeks verband te brengen met specifieke klimaatschade. Is een vervuilende Chinese speelgoedproducent rechtstreeks en individueel verantwoordelijk voor het stijgen van de zeespiegel rondom de kleine eilandstaat Tuvalu? Kan China worden aangesproken door Tuvalu tot herstel van de geleden en nog te lijden klimaatschade?

Het voorgaande vertaalt zich in twee rechtsvragen die nader worden toegelicht in de ‘advisory opinion’ en de volgende passages. Vooreerst is er de problematiek van de toerekenbaarheid. De toerekenbaarheid betreft namelijk een noodzakelijke voorwaarde om een staat aansprakelijk te stellen voor een vermeende schending van internationaal recht.xvi Daarnaast is er de problematiek van de causaliteit. Indien er herstel wordt geëist voor schade geleden door een staat, moet men aantonen dat die schade voor dewelke men herstel eist, veroorzaakt is door een onrechtmatige daad gesteld door een andere staat.xvii

Interessant binnen dit luik, is dat er werd beargumenteerd dat het kader der klimaatverdragen lex specialis betrof ten aanzien van het leerstuk betreffende de staatsaansprakelijkheid, wat de toepassing van het laatste in de weg zou staan. Het IGH wees het lex specialis derogat legis generali-argument de deur uit door te stellen dat gezien de tekst, de context, het voorwerp en het doel van de klimaatverdragen de partijen niet de bedoeling hebben gehad om af te wijken van de algemene gewoonterechtelijke regels der staatsaansprakelijkheid. Derhalve dienen zowel de aansprakelijkheid voor schendingen van verplichtingen voortvloeiende uit de klimaatverdragen als de daarmee samenhangende schade geleden door de klimaatverandering te worden vastgesteld door toepassing van het internationaal gewoonterecht der staatsaansprakelijkheid.xviii

Bevindingen uit de ‘Advisory opinion on the Obligations of States in Respect of Climate Change’

Vraag (a) omtrent de internationaalrechtelijke verplichtingen van staten inzake klimaatverandering
Vooreerst heeft het IGH een opsomming gegeven van de relevante rechtsbronnen, waar het oordeelde dat onder meer het VN-Handvest, het UNFCCC, het Kyoto-protocol, het Verdrag van Parijs, het VN-Zeerechtverdrag, het ‘no-harm’ principe, enzovoort, het toepasselijke rechtskader constitueren.xix Vervolgens heeft het Hof voorgaande rechtsbronnen één voor één behandeld en de daaruit voortvloeiende plichten ten aanzien van staten en de onderlinge verhoudingen geïdentificeerd.

Bovendien oordeelde het Hof dat bepaalde van de voorgaande plichten een erga omnes-karakterxx genieten, met name het ‘no-harm’ principe, en bevestigde het dat iedere staat een belang heeft inzake de bescherming van de klimaatrechtelijke plichten. Derhalve mag iedere staat een andere staat aansprakelijk stellen indien die staat voorgaande plichten zou schenden.xxi Daarmee herbevestigde het de regel uit de ARSIWA op basis waarvan iedere staat het recht heeft om de aansprakelijkheid van een andere staat in te roepen indien de geschonden regel een erga omnes-karakter heeft.xxii Behoort zo’n regel tot het internationaal gewoonterecht, dan komt dit recht toe aan alle staten. Behoort zo’n regel tot de klimaatverdragen, dan komt dit recht toe aan alle staten die partij zijn bij het desbetreffende verdrag.xxiii

Vraag (b) omtrent de juridische gevolgen van handelingen en omissies van staten die aanzienlijke schade toebrengen aan het klimaat

Sectie omtrent de vaststelling van staatsaansprakelijkheid in de context van klimaatverandering

Vooraf erkent het IGH dat er binnen de context van de klimaatverandering een temporeel obstakel is. Zo stelt het Hof vast dat zowel de internationale plichten inzake het klimaat, als de schending van die plichten een tijdelijk facet vertonen. De schending van zo’n plicht geschiedt niet noodzakelijk door louter één gestelde handeling of omissie, maar vertoont vaak een continu karakter. Het Hof concludeert dat deze problematiek voorwerp dient uit te maken van een in concreto beoordeling.xxiv

(1) Betreffende de toerekenbaarheid
Toerekening, oftewel attributie, wijst binnen de context van de staatsaansprakelijkheid op het toeschrijven van een bepaalde handeling of omissie aan een staat volgens het internationaal recht, en betreft een noodzakelijke voorwaarde om een staat aansprakelijk te stellen voor een vermeende schending van een internationale plicht. De toepassing van het voorgaande concept binnen de context van de klimaatverandering werd betwist door meerdere staten.xxv

Vooreerst stelt het IGH dat de toerekening moet geschieden conform criteria van internationaal recht. Zo bevestigt het Hof dat eveneens in de context van de klimaatverandering het optreden van ieder staatsorgaan moet worden beschouwd als een handeling gesteld door die staat. Indien een staat onvoldoende maatregelen treft ter bescherming van het klimaat tegen broeikasgasemissies, dan kan dit een internationaal onrechtmatige daad uitmaken die toerekenbaar is aan die staat. De onrechtmatigheid ligt daarbij niet in de emissies op zich, maar in de nalatigheid van de staat resulterend in een schending van een internationale plicht ter bescherming van het klimaat en ernstige schade aan het klimaat.xxvi

Voorgaande nuance leidt eveneens tot de conclusie dat het cumulatieve karakter van de emissies op zich de vaststelling van een vermeende onrechtmatigheid niet in de weg staat, net omdat de onrechtmatigheid valt te vinden in een schending van een internationale plicht ter bescherming van het klimaat en niet in de uitstoot van de emissies op zich. Het Hof benadrukt bovendien dat het wetenschappelijk mogelijk is om de individuele
emissiebijdrage van iedere staat vast te stellen; derhalve staat het cumulatieve karakter van de emissies de toepassing van de regels der staatsaansprakelijkheid niet in de weg.xxvii

Wat met betrekking tot private actoren die broeikasgasemissies uitstoten; kunnen staten hiervoor aansprakelijk worden gesteld? Het Hof antwoordt hier bevestigend op door te stellen dat een staat wel degelijk aansprakelijkheid oploopt indien hij onvoldoende regulerende en wetgevende maatregelen treft tot begrenzing van die emissies door private actoren, en derhalve faalt in zijn zorgvuldigheidsplicht.xxviii

Voorts stelt het Hof dat de pluraliteit aan verantwoordelijke staten een moeilijkheidsfactor betreft, maar dat de regelen betreffende de staatsaansprakelijkheid hiertegen opgewassen zijn. Het Hof verwijst naar eerdere rechtspraak waar werd gesteld dat “in certain situations in which multiple causes attributable to two or more actors have resulted in injury… responsibility for part of such injury should [be] allocated among [the] actors”.xxix

Het voorgaande toont aan dat de regels betreffende de staatsaansprakelijkheid bekwaam zijn om bovenstaande situatie van pluraliteit te verhelderen en dat benadeelde staten zich kunnen beroepen op de verantwoordelijkheid van slechts één actor zonder verplicht te zijn alle andere verantwoordelijke actoren te betrekken.xxx

Derhalve stelt het Hof dat binnen de context van de klimaatverandering een benadeelde staat afzonderlijk een beroep kan doen op de verantwoordelijkheid van iedere staat die een internationaal onrechtmatige daad heeft begaan resulterend in schade aan het klimaat, en dat wanneer meerdere staten verantwoordelijk zijn voor dezelfde onrechtmatige daad, de verantwoordelijkheid van elke staat kan worden ingeroepen met
betrekking tot die onrechtmatige daad.xxxi

Ter conclusie wordt gesteld dat enerzijds de regels betreffende de staatsaansprakelijkheid het mogelijk maken om de staatsaansprakelijkheid van staten met betrekking tot klimaatverandering vast te stellen, en dat anderzijds feitelijke vragen in het kader van attributie in concreto en case-by-case moeten worden beoordeeld. xxxii

(2) Betreffende de causaliteit
Causaliteit betreft een kwestie die van belang is in het kader van herstel van schade, en niet zozeer bij het vaststellen van de staatsaansprakelijkheid. Bij het toekennen en bekomen van herstel van schade moet namelijk een causaal oftewel oorzakelijk verband worden vastgesteld tussen de onrechtmatige daad gesteld door de ene staat en een zekere schade geleden door een andere staat. De toepassing van het voorgaande concept binnen de context van de klimaatverandering werd wederom betwist door meerdere staten.xxxiii

Steunend op diens rechtspraak, schuift het IGH het bestaan van een voldoende rechtstreekse en zekere causale link tussen de onrechtmatige daad en de geleden schade naar voren als maatstaf. Deze meer flexibele maatstaf maakt het mogelijk om de causaliteit tussen een onrechtmatige daad en de schade vast te stellen, zelfs in het kader van de klimaatverandering.xxxiv

Derhalve stelt het Hof dat zelfs binnen de context van de klimaatverandering het mogelijk is om een causaal verband vast te stellen tussen de onrechtmatige gedraging van een staat en een zekere schade ontstaan door de klimaatverandering. Het voorgaande verband dient in concreto en case-by-case te worden beoordeeld.xxxv

Sectie omtrent de juridische gevolgen voortvloeiende uit onrechtmatige daden

Voorts behandelt het Hof de rechtsgevolgen die een vaststelling van staatsaansprakelijkheid met zich meebrengt. De voorgaande gevolgen betreffen enerzijds de plicht tot verdere nakoming van de geschonden internationale regel, de plicht tot stopzetting van de onrechtmatige daad en het stellen van garanties van niet-herhaling, en anderzijds de gehoudenheid tot herstel van de geleden schade. Herstel van schade kan bestaan uit restitutie, compensatie of genoegdoening.xxxvi

Hoewel het buiten het bestek van deze blogpost valt, kan er binnen dit kader worden verwezen naar het tweede onderdeel van een pleidooi, gehouden door Prof Dr. N. Angelet, dat een interessante analyse betreft over de individuele gehoudenheid van iedere aansprakelijke staat tot het herstel van de gehele schade die is geleden door een andere staat.xxxvii

Conclusie
Met dit advies raakt het IGH zonder twijfel een enorm gevoelige en omstreden snaar, maar kaart het tegelijk een concrete, globale en existentiële problematiek aan. Enerzijds stelt het Hof orde op zaken door te duiden welke verscheidene internationale plichten inzake de bescherming van het klimaat op staten rusten. Anderzijds bevestigt het Hof dat het leerstuk betreffende de staatsaansprakelijkheid wel degelijk een nuttige
toepassing vindt binnen de klimaatverandering. Naast de juridische verheldering, biedt het advies hoop op een gepast herstel aan de talloze benadeelden. Echter sluit het Hof realistisch af door te stellen dat:
“(…) the Court, as a court of law, can do no more than address the questions put to it through and within the limits of its judicial function; (…) Above all, a lasting and satisfactory solution requires human will and wisdom – at the individual, social and political levels – to change our habits, comforts and current way of life in order to secure a future for ourselves and those who are yet to come”xxxviii.

__________________________________________________________________________________

i IGH 23 juli 2025, nr. 187, ‘Advisory Opinion of July 23, 2025 on the Obligations of States in Respect of Climate Change’, 39, §
88, https://www.icj-cij.org/sites/default/files/case-related/187/187-20250723-adv-01-00-en.pdf (hierna: IGH Advisory Opinion);
onderlijning is zelf aangebracht.

ii Ibid.; onderlijning is zelf aangebracht.

iii Zie art. 92 van het Handvest van de Verenigde Naties van 26 juni 1945 jo. Art. 1 van het Statuut van het Internationaal Gerechtshof.

iv Zie art. 96 van het Handvest van de Verenigde Naties van 26 juni 1945 jo. Art. 65 van het Statuut van het Internationaal Gerechtshof.

v WOUTERS J., RYNGAERT C., RUYS T. e.a., International Law: A European Perspective, Hart, 2019, 591.

vi IGH Advisory Opinion, 85, § 272.

vii IGH 8 juli 1996, nr. 679, ‘Advisory Opinion of July 8, 2025 on the Legality of the Threat or Use of Nuclear Weapons’, 19-20, §
29, https://www.icj-cij.org/sites/default/files/case-related/95/095-19960708-ADV-01-00-EN.pdf; onderlijning en cursivering zijn
zelf aangebracht.

viii IGH Advisory Opinion, 85, § 272.

ix IGH Advisory Opinion, 85, § 273; WOUTERS J., RYNGAERT C., RUYS T. e.a., International Law: A European Perspective,
Hart, 2019, 909.

x WOUTERS J., RYNGAERT C., RUYS T. e.a., International Law: A European Perspective, Hart, 2019, 526; zie Draft Articles on
Responsibility of States for Internationally Wrongful Acts van International Law Commission van 2001,
https://legal.un.org/ilc/texts/instruments/english/draft_articles/9_6_2001.pdf (hierna: ARSIWA).

xi IGH Advisory Opinion, 116-117, § 407.

xii Art. 1 ARSIWA. xiii Art. 2 ARSIWA. xiv Art. 30 jo. Art. 31 ARSIWA. xv IGH Advisory Opinion, 120, § 421. xvi Ibid, §422. xvii Ibid, §422.

xviii Ibid., 118-120, §§ 412-420. xix Ibid., 58, § 172.

xx Zie CARLI E., ‘Obligations Erga Omnes, Norms of Jus Cogens and Legal Consequences for “Other States” in the ICJ Palestine Advisory Opinion’, EJIL: TALK!, 26 augustus 2024, https://www.ejiltalk.org/obligations-erga-omnes-norms-of-jus-cogens-and-
legal-consequences-for-other-states-in-the-icj-palestine-advisoryopinion/#:~:text=The%20same%20logic%20was%20adopted, obligations%20at%20the%20procedural%20level. (geraadpleegd op 21 februari 2026): “(…) which defined an obligation erga omnes as one “under general international law that a State owes in any given case to the international community, in view of its common values and its concern for compliance, so that a breach of that obligation enables all States to take action (…)”.

xxi IGH Advisory Opinion, 126, §§ 440-441.

xxii Zie artikel 48, § 1, (b) ARSIWA.

xxiii IGH Advisory Opinion, 126, §442. xxiv Ibid., 121, § 423. xxv Ibid., 121, §§ 425-426.

xxvi Ibid., 122, § 427.

xxvii Ibid., 122-123, § 429.

xxviii Ibid., 122, §428.

xxix Ibid., 123, § 430.

xxx Ibid.

xxxi Ibid., 123, § 431.

xxxii Ibid., 123, § 432.

xxxiii Ibid., 123, §§ 433-434.

xxxiv Ibid., 124, § 436.

xxxv Ibid., 125, § 438.

xxxvi Ibid., 126-129, §§ 444-455.

xxxvii Zie IGH, Compte Rendu, nr. 2024/47, de Openbare zitting van 10 december 2024, 51-53, §§ 6-13, https://www.icj-cij.org/sites/default/files/case-related/187/187-20241210-ora-01-00-bi.pdf. 

xxxviii IGH Advisory Opinion, 129-130, § 456.

Scroll naar boven