Waarom kan een persoon vrij blijven rondlopen na het plegen van een misdrijf?

Wanneer je het nieuws volgt, zie je het regelmatig verschijnen: iemand pleegt een ernstig misdrijf en korte tijd later blijkt die persoon opnieuw vrij rond te lopen. Dat zorgt vaak voor onbegrip. Veel mensen hebben het gevoel dat justitie faalt of te mild optreedt. Toch ligt de verklaring meestal niet in een fout van het gerecht, maar in de manier waarop een rechtsstaat bewust is opgebouwd. In België mag de overheid iemands vrijheid enkel afnemen onder strikte voorwaarden, zelfs wanneer iemand verdacht wordt van zware feiten.

Amal Guerbaoui

Legal Consultant 

Werkingsjaar 2025-2026

Het vermoeden van onschuld

Iemand is onschuldig tot het tegendeel bewezen is. Dat is wat het vermoeden van onschuld inhoudt. Een verdachte is juridisch dus nog geen dader. Ook al lijkt een zaak in de media duidelijk, volgens de wet bestaat schuld pas wanneer een rechter dit na een proces officieel vaststelt. Tot dat moment moet de overheid de betrokkene behandelen als een burger met rechten, niet als een veroordeelde.

Deze bescherming vloeit voort uit de artikelen 5 en 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Het is verboden iemand zomaar willekeurig van zijn vrijheid te beroven. Dit gaat in tegen het recht van eenieder op persoonlijke vrijheid en veiligheid. Daarnaast bepaalt artikel 6 dat iedereen voor onschuldig wordt gehouden zolang zijn schuld niet wettig bewezen is. Dat principe geldt niet alleen voor het uiteindelijke vonnis, maar ook voor alles wat daaraan voorafgaat. Politie, parket en overheid mogen iemand dus niet behandelen alsof hij al schuldig is.

In België wordt dat nog versterkt door artikel 12 van de Grondwet, dat bepaalt dat niemand van zijn vrijheid mag worden beroofd behalve in de gevallen en volgens de vormen die de wet bepaalt. Wat overeenstemt met de inhoud van art. 5 EVRM. Met andere woorden: opsluiting is uitzonderlijk en moet altijd juridisch gemotiveerd zijn. Daarom belandt een verdachte niet automatisch in de gevangenis na een arrestatie.

Onderzoek

De onderzoeksrechter kan van bij het begin beslissen dat opsluiting niet nodig is. Dan wordt de verdachte meteen vrijgelaten, soms wel met voorwaarden zoals zich regelmatig melden bij de politie (meldingsplicht), geen contact mogen hebben met bepaalde personen (contactverbod) of gecontroleerd worden via een elektronische enkelband. Ook hier blijft de persoon juridisch een verdachte. Er is nog geen uitspraak over schuld of onschuld. De verdachte wordt dus vermoed onschuldig te zijn tot het tegendeel bewezen is door middel van het onderzoek en de uiteindelijke beslissing van de rechter in zijn vonnis.

Het onderzoek is de fase waarin justitie probeert vast te stellen wat er precies is gebeurd en wie verantwoordelijk kan zijn. Dit kan maanden of zelfs jaren duren, omdat bewijs wordt verzameld en getuigen worden gehoord. In deze periode mag de verdachte dus vaak vrij rondlopen, tenzij er een concreet risico bestaat dat het onderzoek of de samenleving wordt geschaad, waarop hieronder verder wordt ingegaan.

Bevel tot aanhouding en voorlopige hechtenis

België functioneert als rechtsstaat, op grond van de artikelen 10 en 12 van de Belgische Grondwet en artikelen 5 en6EVRM. Dat betekent dat vrijheid en rechten alleen kunnen worden beperkt volgens duidelijke wettelijke regels en een eerlijk proces. Niemand kan zomaar opgesloten worden.

Toch kan het gebeuren dat iemand vóór het proces wordt opgesloten. Wanneer een persoon verdacht wordt van het plegen van een misdrijf, zal er eerst een verhoor volgen van die persoon. Daarna moet de onderzoeksrechter beslissen of een bevel tot aanhouding nodig is. Die kijkt niet enkel naar de ernst van de feiten, maar vooral naar concrete risico’s, zoals vluchtgevaar, het opnieuw plegen van strafbare feiten of beïnvloeding van het onderzoek. Alleen wanneer zo’n risico reëel is, mag opsluiting volgen. Daarnaast moet het gaan om feiten waarop een straf staat van minimum 1 jaar gevangenisstraf. Het gevolg van zo’n bevel tot aanhouding houdt in dat de persoon in kwestie tot maximum vijf dagen van zijn vrijheid wordt beroofd.

Vervolgens kan de voorlopige hechtenis plaatsvinden. Het gaat om de tijdelijke opsluiting van een verdachte tijdens het onderzoek. Dit wordt bevolen door de onderzoeksrechter. De voorlopige hechtenis duurt langer dan de termijn van vijf dagen die door het bevel tot aanhouding wordt toegestaan. Belangrijk is dat voorlopige hechtenis niet bedoeld is als straf, maar om het onderzoek goed te laten verlopen en de veiligheid te waarborgen. De verdachte wordt op regelmatige tijdstippen verhoord door de onderzoeksrechter, die telkens beslist of de voorlopige hechtenis wordt verlengd of dat de verdachte wordt vrijgelaten, eventueel onder voorwaarden.

De regels hiervoor staan in de Wet betreffende de voorlopige hechtenis. Deze wet verplicht de onderzoeksrechter telkens duidelijk uit te leggen waarom opsluiting noodzakelijk is. Zonder sterke redenen moet de verdachte vrij blijven. Voorlopige hechtenis is dus geen automatische stap na een misdrijf, maar een uitzonderlijke maatregel. Het gerecht moet altijd zoeken naar de minst ingrijpende oplossing die toch het onderzoek beschermt.

Spanning tussen het vermoeden van onschuld en het recidivegevaar

Het Hof van Cassatie bevestigt in haar rechtspraak dat het recidivegevaar een criterium vormt voor het bevel tot aanhouding. Dit criterium staat op gespannen voet met het vermoeden van onschuld. De twee begrippen lijken op het eerste gezicht onverenigbaar. De persoon blijft een verdachte en het staat nog niet vast dat hij de feiten heeft gepleegd waarvan hij wordt verdacht. Hierdoor is het moeilijk te verantwoorden dat er sprake zou zijn van recidivegevaar, namelijk het risico dat hij nieuwe feiten pleegt, omdat het nog niet bewezen is dat hij de oorspronkelijke feiten heeft begaan. Het Hof van Cassatie heeft verduidelijkt dat de onderzoeksrechter een standpunt moet innemen waarbij er wel ernstige aanwijzingen van schuld moeten bestaan in hoofde van de verdachte, maar zonder zich te binden aan een definitieve beoordeling van de feiten, omdat dit anders een schending van het vermoeden van onschuld zou kunnen uitmaken.

Voorlopige invrijheidstelling

Naast voorlopige hechtenis bestaat er ook voorlopige invrijheidstelling. Dat betekent dat iemand die eerst in voorlopige hechtenis zat, later toch wordt vrijgelaten terwijl het onderzoek nog loopt en er nog geen definitief vonnis is. De persoon blijft verdachte, maar hoeft het verdere verloop van het onderzoek niet meer in de gevangenis af te wachten.

Zo’n beslissing kan genomen worden wanneer de situatie verandert. Na verloop van tijd kan bijvoorbeeld blijken dat het belangrijkste bewijs al verzameld is, getuigen verhoord zijn en het risico op beïnvloeding verdwenen is. Ook kan het vluchtgevaar kleiner blijken dan aanvankelijk gedacht. In dat geval wordt verdere opsluiting niet langer noodzakelijk geacht. Vaak gebeurt deze invrijheidstelling onder voorwaarden. De rechter kan bijvoorbeeld verplichten dat de persoon in kwestie zich op vaste tijdstippen bij de politie moet melden, bepaalde personen niet mag contacteren of een enkelband moet dragen. Wie deze voorwaarden overtreedt, kan opnieuw opgesloten worden. Het is dus geen volledige vrijheid, maar een gecontroleerde vorm van vrijheid tijdens het onderzoek.

Het verzoek tot voorlopige invrijheidstelling kan zowel tijdens het lopende onderzoek als na de afronding ervan door de verdachte worden ingediend. Wanneer het onderzoek is afgesloten en de zaak aan de vonnisrechter wordt voorgelegd, verschuift ook de bevoegdheid om over de vrijlating te beslissen. Afhankelijk van de fase van de procedure is het dus ofwel de onderzoeksrechter, ofwel de vonnisrechter die oordeelt over de invrijheidstelling van de verdachte.

Het proces en de uitspraak

Pas na het onderzoek, gedurende hetwelk de verdachte al dan niet in voorlopige hechtenis zat, start de procedure ten gronde. Daarin beoordeelt een rechter of de feiten bewezen zijn en of de verdachte schuldig is en kan er eventueel een straf volgen. De gevangenisstraf wordt normaal pas uitgevoerd wanneer er een definitief vonnis is. Dit verklaart waarom iemand die van een ernstig misdrijf wordt verdacht soms maanden vrij kan blijven voordat er een definitieve uitspraak is.

Conclusie

Het lijkt misschien vanzelfsprekend dat iemand die zware feiten pleegt onmiddellijk opgesloten moet worden, maar het recht gaat uit van een ander uitgangspunt, namelijk dat vrijheid de regel is en opsluiting de uitzondering, totdat schuld bewezen is.

In België verloopt het strafproces stapsgewijs: eerst het onderzoek, daarna het proces, en pas daarna eventueel een straf. Dat iemand na een ernstig misdrijf op vrije voeten blijft, betekent niet dat het gerecht niets doet, maar dat opsluiting niet altijd noodzakelijk is of wettelijk is toegestaan.

Principes zoals de onschuldpresumptie en de bescherming van vrijheid volgens artikel 5 en 6 EVRM en artikel 10 en 12 van de Belgische Grondwet vormen de basis. Voorlopige hechtenis en voorlopige invrijheidstelling zijn instrumenten waarmee de rechter tijdens of na het onderzoek risico’s kan beheersen, zoals vluchtgevaar of beïnvloeding van het onderzoek. Tegelijkertijd zorgen voorwaarden zoals meldingsplicht of enkelband ervoor dat de vrijheid van de verdachte niet volledig wordt opgeheven.

Deze maatregelen laten zien dat het recht streeft naar een balans, enerzijds het beschermen van het onderzoek en de samenleving, anderzijds het respecteren van de rechten van de verdachte. Vrijheid blijft het uitgangspunt, opsluiting de uitzondering, totdat een rechter definitief beslist over schuld.

Bibliografie:

Wetgeving

Art. 5 en 6 EVRM

Art. 10 en 12 Gw.

Wet van 20 juli 1990 op de voorlopige hechtenis

Rechtsleer:

DAENINCK P., ‘Het recidivegevaar en het vermoeden van onschuld: een natuurlijke spanning, maar geen contradictie’, T.Strafr. 2022/2, 84-85.

DAENINCK P., ‘Van voorlopige hechtenis naar preventieve hechtenis’, T. Strafr. 2024/6, 389.

VAN DEN WYNGAERT C., en TRAEST P., Strafrecht en strafprocesrecht: in hoofdlijnen, Gompel & Svacina, 2022.

Scroll naar boven