De verruimde minnelijke schikking: een bekritiseerde weg naar gerechtigheid

De Belgische justitie staat al jaren onder druk door een toenemende werklast, complexe dossiers en beperkte middelen. In dat kader worden alternatieve manieren om strafzaken af te handelen steeds belangrijker. Een van de meest besproken instrumenten daarbij is de verruimde minnelijke schikking.

Wat ooit bedoeld was als een pragmatisch middel om eenvoudige strafzaken sneller af te handelen, groeide uit tot een veelbesproken mechanisme dat ook in zware fraudezaken kan worden toegepast. Tegenstanders noemen het een vorm van “afkoopjustitie”, terwijl voorstanders benadrukken dat het de efficiëntie van het strafrecht verhoogt en de rechtsgang ontlast.

Deze blogpost gaat in op de belangrijkste hervormingen, met aandacht voor zowel de positieve als de kritische aspecten, en schetst zo de impact van de verruimde minnelijke schikking in de Belgische praktijk.

Robin Vanhaezebrouck

Legal Consultant 

Werkingsjaar 2025-2026

Wat houdt een minnelijke schikking in?

Een minnelijke schikking is een vorm van buitengerechtelijke afhandeling van een misdrijf, waarbij de verdachte wordt verzocht een geldsom te betalen. Dit biedt de mogelijkheid om een lange, kostelijke en complexe gerechtelijke procedure te vermijden.

Op grond van artikel 216bis van het Wetboek van Strafvordering kan het Openbaar Ministerie een minnelijke schikking voorstellen aan de verdachte. Dit kan zowel vóór de dagvaarding als tijdens de gerechtelijke procedure. Indien de verdachte het voorstel aanvaardt en de voorgestelde som betaalt, vervalt de strafvordering definitief. Ook bepaalt de wet dat de informatie die tijdens de onderhandelingen aan bod komt niet ten laste van de dader mag worden aangewend in andere procedures. De feiten zijn dan volledig afgehandeld en verdere vervolging van die feiten is dan niet meer mogelijk.

Juridisch kader en hervormingen

De initiële regeling

De minnelijke schikking kent een lange geschiedenis. Ze werd voor het eerst ingevoerd bij Koninklijke Besluiten van 1935 en 1938, met als doel de rechtbanken te ontlasten van kleinere strafzaken.

Met de Wet van 28 juni 1984 werd de regeling verankerd in artikel 216bis van het Wetboek van Strafvordering, waardoor minnelijke schikkingen mogelijk werden voor wanbedrijven met een maximumstraf van vijf jaar. Bovendien moest de Procureur des Konings van oordeel zijn dat enkel een geldboete of een geldboete met verbeurdverklaring zou volstaan als straf.

De verruiming van het toepassingsgebied

De echte ommekeer kwam er in 2011, met de invoering van de verruimde minnelijke schikking. Het toepassingsgebied werd namelijk aanzienlijk uitgebreid, zowel op materieel (voor meer misdrijven) als procedureel (in meer fases van de procedure) vlak.

Sinds de Wet van 14 april 2011 kan een minnelijke schikking ook na het vorderen van een gerechtelijk onderzoek of tijdens de rechtszaak worden voorgesteld, zolang er nog geen definitieve uitspraak is. Het bedrag dat door het Openbaar Ministerie kan worden opgelegd, mag niet hoger zijn dan de maximale geldboete voor het misdrijf en moet in verhouding staan tot de ernst van de feiten.

Enkele maanden later, met de Wet van 11 juli 2011, werd de regeling nog verder uitgebreid. Waar dit vroeger enkel kon voor misdrijven waarop een gevangenisstraf van maximaal vijf jaar stond, krijgt het Openbaar Ministerie nu de mogelijkheid om een minnelijke schikking voor te stellen wanneer het meent dat de feiten niet zwaar genoeg zijn om een gevangenisstraf van meer dan twee jaar te rechtvaardigen én dat het geen zware aantasting inhoudt van de lichamelijke integriteit. Dus ook bij zware misdrijven is een minnelijke schikking mogelijk, mits de feiten zelf minder ernstig zijn en zo een gevangenisstraf van maximaal twee jaar passend zou zijn.

Tempering van de verruiming

Door de Wet van 5 februari 2016 werd het procedureel toepassingsgebied ingeperkt. Een minnelijke schikking is voortaan niet meer mogelijk zodra er een uitspraak ten gronde wordt gedaan, waardoor een minnelijke schikking in de graad van hoger beroep uitgesloten wordt.

De Wet van 18 maart 2018 voerde dan weer een ruimere rechterlijke controle op de minnelijke schikking in. Naast de toetsing van de formele toepassingsvoorwaarden, moet de rechter ook nagaan of de minnelijke schikking proportioneel is met de ernst van de feiten en de persoonlijkheid van de beklaagde, en of de beklaagde de minnelijke schikking wel uit vrije wil en weloverwogen heeft aanvaard.

De meest recente hervorming, met de Wet Van 14 april 2024, zorgde ervoor dat het Openbaar Ministerie bovenop de minnelijke schikking een bestuursverbod kan opleggen als beveiligingsmaatregel en dat de beslissing tot bekrachtiging van de minnelijke schikking genomen door het onderzoeksgerecht voortaan in openbare zitting wordt uitgesproken.

Kritiekpunten

Klassenjustitie en ongelijke behandeling

Een veelgehoord kritiekpunt is dat dit systeem rijken bevoordeelt. Wie genoeg geld heeft, kan immers zijn straf “afkopen”, terwijl minder kapitaalkrachtige verdachten dat niet kunnen. Daardoor lijkt het principe van gelijke behandeling in het gedrang te komen.

Hoewel de reparatiewetten uit 2011 tot doel hadden om transparantie te bevorderen, bleek het eerder een dekmantel voor duistere praktijken. Het grootste deel van de minnelijke schikkingen werd nog steeds achter gesloten deuren afgehandeld, zonder enige vorm van openbaarmaking. Minnelijke schikkingen werden aanvankelijk zelfs niet opgenomen in het Centraal Strafregister, waardoor deze niet op de strafbladen van de verdachten te zien waren. Pas sinds de Wet van 5 februari 2016 worden de minnelijke schikkingen opgenomen in het Centraal Strafregister en sinds de Wet van 14 april 2024 moet de beslissing tot bekrachtiging voortaan in openbare zitting worden uitgesproken. 

Bovendien zou de verruimde minnelijke schikking moeten zorgen voor een erkenning van de schuld aan de kant van de verdachte, aangezien ze alleen maar kan worden opgelegd indien de verdachte zijn schuld erkent en zijn verantwoordelijkheid opneemt. In de praktijk blijkt echter dat een minnelijke schikking eerder gericht is op het kopen van gemoedsrust dan op schulderkenning. Dit fenomeen vertoont ook gelijkenissen met plea bargaining, waarbij onderhandelingen tussen verdachten en het Openbaar Ministerie de rechterlijke beoordelingsruimte kunnen beperken.

Parallelle rechtspraak

Anderzijds wordt de verruimde minnelijke schikking ook als inefficiënt beschouwd, vermits de beslissingsbevoegdheid over de toekenning van een minnelijke schikking bij het Openbaar Ministerie ligt. Zo creëert men in feite parallelle rechtspraak naast die van de hoven en rechtbanken. Dit zorgde lange tijd voor een aantasting van de positie van de onderzoeksrechter, omdat hij niet de bevoegdheid had om een veto tegen de beslissing tot minnelijke schikking uit te spreken. De onderzoeksrechter kon samen met de vonnisrechter slechts een formele controle uitoefenen op de toepassingsvoorwaarden van de minnelijke schikking, maar kon zelf geen inhoudelijke afweging maken. Het Openbaar Ministerie nam als het ware de rol van de vonnisrechter over.

Inmiddels is de wet in 2018 aangepast, waarbij de controle van de rechter is uitgebreid. Sinds die wetswijziging oordeelt hij niet alleen over de vormelijke vereisten, maar ook over de proportionaliteit. Zo houdt een referentiemagistraat binnen ieder parket toezicht op de toepassing van de verruimde minnelijke schikking en wordt elk voorstel zorgvuldig voorgelegd aan de procureur-generaal. De procedure omvat nu zowel eerstelijns- als tweedelijnstoezicht binnen het Openbaar Ministerie, met daarbovenop nog een grondige rechterlijke controle.

Schijnoplossing voor gerechtelijke achterstand

Het is geen geheim dat België al geruime tijd kampt met een enorme gerechtelijke achterstand, met Brussel als koploper met een gemiddelde doorlooptijd van 1.061 dagen in 2023. Een van de oplossingen zou de verruimde minnelijke schikking kunnen zijn. De voornaamste doelstelling van deze wetgeving is namelijk dat het zou dienen als instrument tegen de gerechtelijke achterstand in grote dossiers en dus zou leiden tot een ontlasting van het justitiële apparaat. Zo kan de vrijgekomen zittingstijd worden aangewend voor betwiste rechtszaken en kan bovendien de staatsschuld wat minder doen oplopen. Maar of dat de gerechtelijke achterstand echt oplost, valt te betwijfelen.

Om dit te verduidelijken, is het relevant om te kijken naar de uitbreiding van het procedurele toepassingsgebied. Door de invoering van de reparatiewet in 2011 kan een minnelijke schikking voortaan ook worden uitgesproken in de loop van een gerechtelijk onderzoek en zelfs wanneer de zaak nog aanhangig is bij de bodemrechter. Dit komt erop neer dat het Openbaar Ministerie reeds kan tussenkomen op basis van een onvolledig dossier. Van een zuiver buitengerechtelijke afhandeling is er dus ook geen sprake meer. Wat mij verontrust, is het feit dat het Openbaar Ministerie kan beslissen om een zitting voortijdig te beëindigen, terwijl het onmogelijk is om van tevoren te voorspellen welke nieuwe informatie nog kan voortkomen uit een gerechtelijk onderzoek of zelfs uit een zitting. Dit alles lijkt tevens erg inefficiënt: eerst een volledig onderzoeksdossier samenstellen, om ze dan vervolgens vroegtijdig af te sluiten. Wat is dan nog het nut van al het harde werk van rechters in de rechtbank? Dit is een verspilling van tijd en middelen en lijkt haaks te staan op de oorspronkelijke doelstelling. Als gevolg van dit slechte management gaat er veel werkkracht en tijd verloren aan een zaak die toch vroegtijdig wordt afgesloten. Deze wijziging werd, ondanks een waarschuwing via een open brief van vijf magistratenverenigingen, zonder verdere overweging goedgekeurd.

Aandacht voor het slachtoffer

Een ander cruciaal aspect van de wet is het toekennen van een volwaardige plaats aan het slachtoffer. Zo krijgt het slachtoffer inzage in het strafdossier en kan het onderhandelen over een schadevergoeding met de verdachte. Toch blijft de invloed van het slachtoffer beperkt, aangezien het geen vetorecht heeft met betrekking tot de beslissing tot een minnelijke schikking zelf. Dit kan voor het slachtoffer aanvoelen als een afgesloten deal tussen justitie en de dader. Een uitzondering hierop betreft de fiscale en sociale administratie, die als bevoorrechte slachtoffers worden gezien en wel over een vetorecht beschikken.

Conclusie

De verruiming van de minnelijke schikking kan aldus behoorlijk ingrijpend worden genoemd. Wetswijzigingen hebben de kritiek op de afkoopwet enigszins gerelativeerd.  Het doel van de minnelijke schikking is de strafketen efficiënter en effectiever te maken: de procesgang wordt beperkt tot één aanleg, wat de gerechtelijke achterstand moet helpen verminderen. Daarnaast maakt de mogelijkheid tot consensuele afhandeling het proces flexibeler en heeft het slachtoffer meer inbreng. De zogenaamde achterkamertjes kunnen vermeden worden door een bijkomend controlemechanisme. Niettemin zijn er nog kritiekpunten, zoals de overdreven uitbreiding van het toepassingsgebied en de toch nog te beperkte rol van het slachtoffer. Ook is de impact op de gerechtelijke achterstand paradoxaal: hoewel de regeling juist bedoeld is om zaken sneller af te handelen, leidt de mogelijkheid om schikkingen te sluiten op basis van onvolledige dossiers tot inefficiëntie en verspilling van tijd en middelen. Deze punten vereisen aandacht, gezien het slechte imago van de afkoopwet de wereld nog lang niet uit is.

Bronnen

Wetgeving

Art. 216bis Sv.

Wet 28 juni 1984 tot uitbreiding van het toepassingsveld van het verval van de strafvordering voor sommige misdrijven, tegen betaling van een geldsom, BS 22 augustus 1984,https://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/1984/06/28/1984009632/staatsblad.

Wet 14 april 2011 houdende diverse bepalingen, BS 6 mei 2011, https://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/2011/04/14/2011201824/staatsblad.

Wet 11 juli 2011 tot wijziging van de artikelen 216bis en 216ter van het Wetboek van strafvordering en van artikel 7 van de wet van 6 juni 2010 tot invoering van het Sociaal Strafwetboek, BS 1 augustus 2011, https://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/2011/07/11/2011009542/staatsblad.

Wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie, BS 19 februari 2016, https://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/2016/02/05/2016009064/staatsblad.

Wet van 18 maart 2018 houdende wijzigingen van diverse bepalingen van het strafrecht, de strafvordering en het gerechtelijk recht, BS 2 mei 2018, https://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/2018/03/18/2018011394/staatsblad.

Wet Van 14 april 2024 houdende diverse wijzigingen van het Wetboek van strafvordering II, BS 22 april 2024, https://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/2024/04/14/2024003588/staatsblad.

Beleidsdocumenten

HOGE RAAD VOOR JUSTITIE, Advies over de bepalingen van het wetsontwerp houdende wijzigingen van diverse bepalingen van het strafrecht, de strafvordering en het gerechtelijk recht (Kamer, 54-2753/001) die betrekking hebben op de “verruimde minnelijke schikking”, 29 november 2017, https://hrj.be/admin/storage/hrj/advies-minschik-nl.pdf.

HOGE RAAD VOOR JUSTITIE, Audit over verruimde minnelijke schikking in strafzaken, 12 december 2024, https://hrj.be/nl/publicaties/2024/verruimde-minnelijke-schikking-in-strafzaken.

Rechtsleer

Boeken

DE MEULENAER S. en TRAEST P., Fiscaal en Sociaal Strafrecht. Wegwijzer doorheen het labyrint: De impact van de regelingen met de fiscale en sociale administratie op de strafvordering, Story Publishers, 2021.

VANDER BEKEN T., De ziel en het doel van de Belgische strafrechtsbedeling: reflecties naar aanleiding van Salduz en de verruimde minnelijke schikking, Maklu, 2013.

Bijdragen in tijdschriften

DECAIGNY T., DE HERT P. en VAN GARSSE L., ‘De minnelijke schikking na de wetgeving van april en juni 2011: verruiming van de buitengerechtelijke afhandeling en fundamentele hervorming’, RW  2011, 550, https://cris.vub.be/ws/portalfiles/portal/43629269/pdh11_tdlvgRWverr_minn_schikking.pdf.

DETHIER S., Gerechtelijke achterstand: een eeuwenoude, maar springlevende uitdaging voor justitie, TvMR 2024/2, 6, https://mensenrechten.be/bestanden/uploads/tijdschriften/TvMR2024_2.pdf.

MEESE J. en TERSAGO P., ‘Verruimde minnelijke schikking in strafzaken’, NjW 2012, 314,https://jura-kluwer-be.libugent.idm.oclc.org/secure/DocumentView.aspx?id=dn300129180&scrollid=dn300129180&NavSearchId=13413990.

VAN CAUWENBERGHE K., ‘De nieuwe minnelijke schikking wordt de ‘rechtspraak’ van het openbaar ministerie’, Vigiles 2011, 110, https://bib.kuleuven.be/rbib/collectie/archieven/vigiles/2011-4-112.pdf.

Scroll naar boven